Ik wil rusten na een lange dag.
De hond ligt rustend op de bank.
De rustende student leest een boek.
ik
Ik rustte een uur tijdens mijn pauze.
jij / je, u
Jij rustte veel na de operatie.
hij, zij / ze, het
Hij rustte in de tuin.
wij / we, jullie, zij / ze
Wij rustten samen op het strand.
Ik ben gerust dat alles goed gaat.
Hij is rustend op de bank.
Rust nu, je hebt het verdiend!
Als ik maar ruste voor de vergadering.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。