(kinderen tussen ongeveer zes en twaalf jaar oud)
Het schoolkind fietst elke dag naar school.
Tijdens de vakantie spelen de schoolkinderen veel buiten.
Het schoolkind is blij, want het is bijna weekend.
Het schoolkind maakt een werkstuk voor het project op school.
Het leerlingetje, ook wel schoolkind genoemd, is erg enthousiast over de schoolmusical.
Dat schoolkind heeft echt een hart van goud.
Het schoolkind eet een boterham voor de lunch.
Tijdens het schoolreisje lachen de schoolkinderen veel.
Het schoolkind neemt zijn rapport mee naar huis.
Het schoolkind zal volgende week een spreekbeurt houden.
Schoolkind, vergeet je broodtrommel niet!
Het schoolkind doet zijn huiswerk aan de keukentafel.
Gaat het schoolkind ook naar de zwemles?
Het schoolkind, dat in groep vier zit, leert nu de tafels van vermenigvuldiging.
Het schoolkind vergat gisteren zijn gymspullen.
Het schoolkind speelt met vriendjes in de speeltuin.
Het schoolkind heeft vandaag een nieuwe juf.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。