Ik wil schuilen voor de regen.
ik
Ik schuil onder een boom.
jij / je, u
Jij schuilt achter de muur.
wij / we, jullie, zij / ze
Wij schuilen samen in de schuilplaats.
Ik school in de schaduw.
Jij schuilde vroeger in de kelder.
Zij schuilden achter de bomen.
De schuilende kinderen bleven droog.
De schuilende groep was veilig.
De leerlingen zijn gescholen tijdens de storm.
Zij heeft onder de overkapping geschuild.
Schuil onder de luifel als het regent!
Schuilt hier, alsjeblieft!
Als het regent, schuile ik bij jou.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。