NEDERLANDS
↓↑Enter →
  • 11Stam(de)
    普通名词deel van boom
  • 22Stammen
    动词afkomstig zijn van
  • 33Stam(de)
    普通名词volksgroep

浏览

词典词汇表我的单词最近词语
NEDERLANDS
↓↑Enter →
🇨🇳
  • 11Stam(de)
    普通名词deel van boom
  • 22Stammen
    动词afkomstig zijn van
  • 33Stam(de)
    普通名词volksgroep
  1. NEDERLANDS
  2. /词典
  3. /Stam
词典Stam

Stam

  • destam

    普通名词

    deel van boom

    1. deel van een boom dat de takken draagtDe stam van de boom is stevig.
    2. groep mensen met dezelfde afkomst of cultuurDeze stam heeft een rijke geschiedenis.
    3. vorm van een werkwoord zonder uitgangDe stam van het werkwoord 'eten' is 'eet'.
  • stammen

    动词

    afkomstig zijn van

    1. afkomstig zijn van een bepaalde plaats, groep of tijdDit woord stamt uit het Latijn.
    2. in een stamcursus of taalcursus een basisniveau lerenIk stam nu al drie maanden Nederlands.
  • destam

    普通名词

    volksgroep

    1. deel van een boom dat de takken draagtDe stam van de boom is stevig.
    2. groep mensen met dezelfde afkomst of cultuurDe stam viert elk jaar een groot feest.
    3. vorm van een werkwoord zonder uitgangDe stam van het werkwoord 'eten' is 'eet'.
    4. vaste groep mensen die regelmatig samenkomtOnze stam is erg hecht.

相关词汇

gestamdstamdestamdenstammestammenstammendstammendestammetjestammetjesstamt