Om iets te stelen is niet eerlijk.
Hij is stelend door de winkel gegaan.
De stelende inbreker werd snel gepakt.
ik
Ik steel nooit iets.
jij / je
Jij steelt geen geld, toch?
u
U steelt altijd iets, zelfs als het een snoepje is.
hij, zij / ze, het
Hij steelt af en toe een appel.
wij / we
Wij stelen nooit van anderen.
jullie
Jullie stelen niet, dat weet ik zeker.
Ik stal vroeger vaak fruit uit de tuin.
Jij stal een boek uit de bibliotheek.
U stal misschien nooit iets.
Hij stal een auto, maar werd gepakt.
Wij stalen samen, maar dat was niet goed.
Jullie stalen de show met jullie optreden.
Het geld is gestolen uit de kluis.
Hij verlangt dat je stelen mag.
Steel niets in deze winkel!
Steelt niet zulke dingen, dat is verkeerd!
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。