Ik wil de kat graag strelen.
De strelende hand van de moeder maakte het kind rustig.
De strelende woorden hielpen hem kalm te blijven.
ik, jij / je, hij, zij / ze, het
Hij streelde de hond zachtjes.
wij / we, jullie, zij / ze
Zij streelden de kat samen.
Hij heeft de hond gestreeld.
Het strelend gebaar was geruststellend.
Ik hoop dat hij jou strele.
Streel de kat voorzichtig!
Streelt het dier met liefde.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。