(iemand of iets komt ergens vandaan)
Zij komt van Nederland.
Deze kaas is van Frankrijk.
Mijn oma komt van een klein dorpje in Friesland.
Deze wijn is van een wijngaard in de Elzas.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(iets behoort iemand toe)
Dat is de tas van mijn zus.
De auto van mijn vader is heel snel.
Is dit jouw jas of van iemand anders?
Het huis van mijn grootouders staat al jaren leeg.
(informatie of mening komt van iemand)
Vanuit zijn ervaring als leraar, begrijpt hij de problemen van leerlingen goed.
De informatie is afkomstig van een betrouwbare bron.
Volgens de minister van Financiën gaat het beter met de economie.
Het citaat komt van een bekende Nederlandse schrijver.
(iets gebeurt binnen een tijdsperiode)
Het feest begint vanavond om acht uur.
Hij werkt van maandag tot en met vrijdag.
We zijn met vakantie van 15 juli tot 1 augustus.
De winkel is open van negen tot zes uur.
(iets bevindt zich op een bepaalde plek of richting)
De bibliotheek is van de straat af, aan de rechterkant.
De uitgang is van hier recht doorgaan en dan links.
Het station ligt vijf minuten lopen van mijn huis.
Van hier kun je de hele stad zien.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。