Ik wil gaan wanten in de tuin.
De wantende kinderen spelen buiten.
De wantende volwassenen kijken naar de wedstrijd.
Wij hebben altijd gewant met onze vrienden.
De wantend persoon volgt de instructies goed.
ik
Gisteren wantte ik met mijn hond.
jij / je
Jij wantte heel hard tijdens de competitie.
hij
Hij wantte om de prijs te winnen.
wij / we
Wij wantten samen tijdens het feest.
jullie
Jullie wantten heel enthousiast.
zij / ze
Zij wantten in de zon op het strand.
Wil je willen wanten?
Als ik maar wante kon hebben, zou ik gelukkig zijn.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。