Ik leer hoe te welken.
ik
Ik welk de bladeren van de boom.
jij / je, u
Jij welken de bloemen.
hij, zij / ze, het
Hij welkt de grasplanten.
wij / we, jullie, zij / ze
Wij welken de bladeren in het najaar.
Ik welkte het gras vorig jaar.
wij / we
Wij welkten de bloemen in de zomer.
De bladeren zijn gewelkt in de hitte.
De welkende bloemen zijn een teken van de herfst.
De welkende bladeren vallen van de bomen.
Als ik welk welke bloem je bedoelt.
Welk de takken van de struiken.
Welkt de verwelkte bloemen en gooi ze weg.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。