NEDERLANDS
🇩🇪
  • Buurt(de)
    Substantivwijk omgeving
  • Buurten
    Verbinformeel op bezoek gaan bij buren

Buurten

  • debuurt

    Substantiv

    wijk; omgeving

    1. wijk

      Een deel van een stad of dorp waar mensen wonen; een woongebied met straatnamen en huizen.

      Ik woon al tien jaar in deze buurt.

    2. nabijheid

      De omgeving dicht bij een plaats of persoon; 'in de buurt' betekent dichtbij.

      Is er een supermarkt in de buurt?

    3. gemeenschap

      De mensen die in hetzelfde deel van een stad of dorp wonen en soms samen activiteiten doen.

      De buurt organiseerde een straatfeest na de renovatie.

    in de buurtbuurtwinkelbuurtbewonerbuurtverenigingbuurtcentrum
  • buurten

    Verb

    informeel op bezoek gaan bij buren of met buren praten

    1. op bezoek

      Informeel bij iemand langsgaan, vaak bij de buren, om even te kijken of te vragen of te praten.

      We gingen vanmiddag even buurten bij de nieuwe buren.

    2. kletsen/bijpraten

      Gezellig tijd doorbrengen met mensen uit de buurt en met hen praten; sociaal contact hebben.

      Op zondagochtend zaten de buurtende ouderen op het bankje te kletsen.

    even buurtengaan buurtenkomen buurtenbij de buren buurtenmet de buren buurten

Weiterlernen