Donderdag
donderdag
Adverbop donderdag
- op de vierde dag van de week, als tijdsaanduiding in een zinDonderdag kom ik bij je langs.
dedonderdag
Substantivvierde dag van de week
- de vierde dag van de week, tussen woensdag en vrijdagDonderdag komt mijn moeder op bezoek.
- een specifieke donderdag als afspraak of moment in de planningIk heb alle donderdagen in mei vrij gehouden voor je.