Klap
klappen
Verbin je handen slaan
- Met je handen tegen elkaar slaan om applaus of waardering te geven.De kinderen klappen mee op de muziek.
- Iets met kracht ergens tegenaan slaan of hard dichtdoen.Hij klapte het boek dicht en zuchtte diep.
- Plotseling kapot gaan of bezwijken, meestal gezegd van banden of onder druk.Onze voorband is vanochtend geklapt op de snelweg.
deklap
Substantivharde slag met hand
- Een harde slag met de hand of een voorwerp tegen iets of iemand.De bokser deelde een harde klap uit.
- Een plotseling hard geluid dat ontstaat als iets hard botst of dichtvalt.De klap van de botsing was tot ver in de straat te horen.
- Een zware tegenslag of emotionele schok in iemands leven.Het verlies van zijn baan was een enorme klap voor het hele gezin.
- Een pak slaag, meestal in het meervoud gebruikt als 'klappen krijgen'.Vroeger kregen kinderen op school nog klappen van de meester.