Adjective

Attributive Formen

Als je zegt 'de levenslustige vrouw' of 'een levenslustige man', gebruik je 'levenslustige' vóór het zelfstandig naamwoord. Het geeft aan dat iemand veel levensplezier heeft.

Mit bestimmtem Artikel
de levenslustige
"De levenslustige vrouw danst altijd."
Mit unbestimmtem Artikel
een levenslustige
"Een levenslustige man maakt iedereen blij."
Ohne Artikel
levenslustig
"Levenslustig zijn maakt het leven leuk."

Prädikative Form

Na 'zijn' of 'worden' gebruik je altijd 'levenslustig': Zij is levenslustig.

levenslustig
"Ze is levenslustig en vrolijk."

Komparativ

Als je zegt 'levenslustiger', vergelijk je twee personen met levensplezier. Bijvoorbeeld: 'Hij is levenslustiger dan zij'.

Grundform
levenslustiger
"Hij is levenslustiger dan zijn zus."
Mit „dan"
levenslustiger
"De levenslustigere persoon heeft meer plezier."

Superlativ

Als je zegt 'de levenslustigste', dan heb je het over iemand die het meest levenslustig is. Bijvoorbeeld: 'Hij is de levenslustigste van onze vrienden'.

Attributiv
de levenslustigste
"Hij is de levenslustigste van ons allemaal."
Prädikativ
levenslustigst
"Zij is levenslustigst in de zomer."

Wichtige Hinweise

  • usage:'levenslustig' beschrijft een persoon met veel levensenergie en vreugde.
  • spelling:Let op de spelling met '-ig' en '-igste'.

Dieses Wörterbuch ist KI-generiert — das einzige vollständige niederländische Lernerwörterbuch seiner Art. Ich aktualisiere gerade auf die neuesten KI-Modelle, daher kann es gelegentlich Fehler geben. Wenn etwas seltsam aussieht, vertraue deinem Instinkt.