NEDERLANDS
🇩🇪
  • Tak(de)
    Substantivdeel van een boom ook onderdeel
  • Takken
    Verbzich in takken of richtingen splitsen

Tak

  • detak

    Substantiv

    deel van een boom; ook: onderdeel of afdeling

    1. plantdeel

      Een stuk hout dat uit de stam of een grotere tak van een boom groeit en vaak bladeren of vruchten draagt.

      De vogel bouwde een nest op een dikke tak.

    2. onderdeel/afdeling

      Een deel of afdeling van iets (bijvoorbeeld een organisatie, wetenschap of sport) dat een eigen specialisatie heeft.

      Biologie is een tak van de wetenschap.

    tak van sporttak van wetenschapdikke takafgebroken taktakken snoeien
  • takken

    Verb

    zich in takken of richtingen splitsen; ritme aangeven

    1. splitsen/afslaan

      Zich in twee of meer delen of richtingen verdelen; afslaan (van een weg, rivier, pad, boom).

      De rivier takte af in twee armen.

    2. muziek/ritme

      Het ritme of de maat aangeven; in een duidelijke maat spelen of slaan.

      De dirigent takt het orkest duidelijk.

    takte aftakken aftakt aangevengetakt spelen

Weiterlernen