Tezamen
tezamen
Adverbsamen; in totaal
samen/gezamenlijk
Met twee of meer personen of dingen bij elkaar; gezamenlijk of op hetzelfde moment.
Ze besloten tezamen naar het strand te gaan.
in totaal
Als je alles bij elkaar optelt; het hele bedrag of aantal.
Het kostte tezamen honderd euro.
tezamen mettezamen komentezamen opgeteld