Uitgestrekt
uitgestrekt
Adjektivgroot en wijd; languit uitgespreid
groot/wijd
Zeer groot of wijd, meestal over een lang oppervlak of gebied uitgespreid.
Het uitgestrekte polderlandschap was nauwelijks onderbroken door bomen.
languit/gestrekt liggen
Languit of in lengte uitgespreid liggen of staan, met het lichaam of de ledematen gestrekt.
Na de wandeling lag ze uitgestrekt op het gras om uit te rusten.
uitgestrekt gebieduitgestrekte vlaktesuitgestrekte kustlijnuitgestrekte landerijenuitgestrekte armen