Infinitief Ik wil graag deze taak veroorloven.
Tegenwoordig deelwoord ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
Zij is bezig met veroorlovend gedrag.
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
De veroorlovende ouders zijn gelukkig.
Tegenwoordige tijd ik
Ik veroorloof mij meer vrije tijd.
jij / je
Jij veroorlooft jezelf veel plezier.
u
U veroorlooft een bijzondere gebeurtenis.
hij, zij / ze, het
Hij veroorlooft een kort bezoek.
wij / we
Wij veroorloven ons een leuke vakantie.
jullie
Jullie veroorloven veel vrijheid.
Verleden tijd ik
Ik veroorloofde me een extra uur snooze.
jij / je
Jij veroorloofde jezelf teveel suiker.
u
U veroorloofde iets bijzonders voor de kinderen.
hij, zij / ze, het
Hij veroorloofde nooit teveel ruimte.
wij / we
Wij veroorloofden ons een reis naar Frankrijk.
jullie
Jullie veroorloofden je een groot feest.
Voltooid deelwoord Hij heeft zich altijd veroorloofd.
Aanvoegende wijs Moge hij zich veroorlove wat hij wil.
Gebiedende wijs jij / je
Veroorloof jezelf iets lekkers!
Ich habe dieses Wörterbuch als die vollständigste niederländische Lernressource seiner Art gebaut. Definitionen und Beispiele werden generiert, daher kann es gelegentlich Fehler geben — vertraue deinem Instinkt.