hetCommon Noun

Singularformen

Het woord 'week' is meestal gebruikt met 'de'.

Bestimmt (de/het)
de week
"De week begint op maandag."
Unbestimmt (een)
een week
"Ik ga een week op vakantie."
Ohne Artikel
week
"Week na week gaat voorbij."

Pluralformen

In het meervoud wordt 'week' 'weken'.

Bestimmt (de)
de weken
"De weken vliegen voorbij."
Ohne Artikel
weken
"Na drie weken kwam hij terug."

Verkleinerungsform

het weekje
"Ik neem een weekje vrij."

Het suggereert een korte periode, vaak gebruikt in informele contexten.

informeel

HĂ€ufige Komposita

  • weekend

    "In het weekend ga ik vaak wandelen."

    de zaterdag en zondag van de week

  • weekblad

    "Hij leest elke week een weekblad."

    tijdschrift dat elke week verschijnt

HĂ€ufige Wortkombinationen

  • volgende

    "Volgende week ga ik sporten."

    Gebruik om de week aan te geven die na de huidige komt.

  • afgelopen

    "Afgelopen week was erg druk."

    Gebruik om de week aan te geven die net is afgelopen.

  • werk

    "De werkweek begint op maandag."

    De dagen waarop men werkt binnen de week.

Wichtige Hinweise

  • usage:'Week' wordt vaak gebruikt in combinaties zoals 'volgende week' en 'afgelopen week'.
  • countability:‘Week’ is een telbaar zelfstandig naamwoord; men kan bijvoorbeeld specifieke aantallen weken hebben.

Dieses Wörterbuch ist KI-generiert — das einzige vollstĂ€ndige niederlĂ€ndische Lernerwörterbuch seiner Art. Ich aktualisiere gerade auf die neuesten KI-Modelle, daher kann es gelegentlich Fehler geben. Wenn etwas seltsam aussieht, vertraue deinem Instinkt.