Aanpakken
VerbInfinitief
Ik leer hoe ik problemen kan aanpakken.
Tegenwoordig deelwoord
Hij is aanpakkend en doet altijd zijn best.
Zij is een aanpakkende persoon die nooit opgeeft.
Tegenwoordige tijd
ik
Ik heb een goede aanpak voor deze situatie.
wij / we
Wij moeten dit probleem samen aanpakken.
jij / je
Jij pakt de uitdagingen goed aan.
u
U pakt de zaak professioneel aan.
hij
Hij pakt elke taak zorgvuldig aan.
zij / ze
Zij pakt de uitdaging moedig aan.
het
Het project pakt veel tijd aan.
jullie
Jullie pakken de situatie snel aan.
Verleden tijd
ik
Ik pakte het probleem meteen aan.
wij / we
Wij aanpakten de klus succesvol.
hij
Hij pakte het gesprek goed aan.
zij / ze
Zij pakten de uitdaging samen aan.
Voltooid deelwoord
Dat probleem is inmiddels aangepakt.
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, hij, zij / ze, het, u, wij / we, jullie
Laten we hopen dat hij de taak goed aanpakke.
ik, jij / je, hij, zij / ze, het, u, wij / we, jullie
Ik hoop dat jullie de problemen pakke aan.
Gebiedende wijs
Pak de uitdaging aan!