Auxiliary verb hebben
werkwoord
afrekenen betekent het betalen van de kosten; meestal in de context van aankopen.
Infinitief Ik ga afrekenen bij de kassa.
Tegenwoordig deelwoord De klant is afrekenend met zijn boodschappen.
De afrekenende klant is tevreden met de service.
Tegenwoordige tijd ik
Ik reken af met mijn kaart.
jij / je
Jij rekent af met contant geld.
u
U rekent af aan de balie.
hij, zij / ze, het
Hij rekent af met zijn telefoon.
wij / we
Wij rekenen af na het diner.
jullie
Jullie rekenen af bij de kassa.
Verleden tijd ik
Gisteren rekende ik af voor mijn lunch.
jij / je
Jij rekende af met een kortingsbon.
u
U rekende af in het restaurant.
hij, zij / ze, het
Zij rekende af met haar bankpas.
wij / we
Wij rekenden af voor onze aankoop.
jullie
Jullie rekenden af online.
Voltooid deelwoord Ik heb afgerekend voordat ik vertrok.
Aanvoegende wijs Ik hoop dat hij afrekene met zijn problemen.
Laten we hopen dat zij rekene af voordat het te laat is.
Gebiedende wijs Reken af als je klaar bent.
Rekent af aan de balie, alsjeblieft.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.