hebben
regelmatig werkwoord
afwisseling en variatie aanbrengen
We moeten afwisselen tussen studeren en uitrusten.
Hij volgt een afwisselend programma van lessen.
De afwisselende activiteiten houden de kinderen bezig.
Zij hebben de taken goed afgewisseld.
ik
Ik wissel vaak van hobby.
jij / je
Jij wisselt elke week van boek.
u
U wisselt af tussen verschillende projecten.
hij
Hij wisselt zijn maaltijden af.
zij / ze
Zij wisselt haar werkdagen af.
het
Het wisselt vaak van temperatuur.
wij / we
Wij wisselen regelmatig van activiteit.
jullie
Jullie wisselen van rol in het spel.
Ik wisselde vaak van routes.
Jij wisselde altijd af met je partner.
U wisselde de onderwerpen vaak af.
Hij wisselde van werkplek.
Zij wisselde de klassen af.
Het wisselde wel van kleur.
Wij wisselden de sporten af.
Jullie wisselden vaak van plek.
Het is belangrijk dat hij afwissele met de verantwoordelijkheden.
Ik hoop dat hij wissele af met de projecten.
Wissel af met de taken.