Ik wil graag bakken vandaag.
Zij is bakkend in de keuken.
De bakkende man maakt brood voor de winkel.
ik
Ik bak een cake.
jij / je
Jij bakt pizza vanavond.
u
U bakt heerlijke taarten.
hij
Hij bakt elke zondag brood.
zij / ze
Zij bakt koekjes voor het feest.
het
Het bakt in de oven.
wij / we
Wij bakken samen een taart.
jullie
Jullie bakken voor de hele klas.
Ik bakte gisteren een pizza.
Jij bakte een taart voor je moeder.
U bakte een prachtig gerecht.
Hij bakte vroeger altijd brood.
Zij bakte koekjes voor het feestje.
Het bakte niet goed in de oven.
Wij bakten samen op zaterdag.
Jullie bakten veel lekkers voor het evenement.
De taart is gebakt door mijn moeder.
Laat dat gebakken worden!
Bak een taart voor het feest!