Bakken
VerbAuxiliary Verb
hebben
werkwoord
Het werkwoord 'bakken' kan zowel letterlijk (zoals in voedsel bakken) als figuurlijk (zoals in ideeën 'bakken') worden gebruikt.
Infinitief
Ik hou ervan om te bakken in het weekend.
Tegenwoordig deelwoord
De kok is bakkend in de keuken.
De bakkende chef maakt een heerlijke taart.
Tegenwoordig deelwoord
De bakkende moeder helpt haar kinderen.
Verleden tijd
ik
Ik bakte gisteren een prachtige cake.
wij / we, jullie, zij / ze
Zij bakten vroeger altijd koekjes.
Voltooid deelwoord
Ik heb een brood gebakken.
Tegenwoordig deelwoord
De bakkend man staat in de keuken.
Gebiedende wijs
Bak de taart zoals ik eerder heb gezegd.
Aanvoegende wijs
Ik wens dat jij bakke een mooie taart voor mijn verjaardag.