(beroepen en ambachten)
Mijn buurman is bakker en staat elke ochtend om vier uur op.
De bakker bakt verse broodjes voor het ontbijt.
De bakker maakt elke dag vers brood.
Mijn opa was vroeger bakker in een klein dorp.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(boodschappen doen in de buurt)
Ik ga even naar de bakker om een vers brood te halen.
De bakker op de hoek heeft de lekkerste appeltaart.
Ik heb bij de bakker twee croissants gekocht.
Loop jij even naar de bakker voor een wit brood?
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.