(Eten en boodschappen doen)
Ik eet elke ochtend een banaan bij mijn ontbijt.
De bananen in de fruitschaal worden al een beetje bruin.
Wil jij ook een banaan?
De kinderen kregen een banaan mee naar school.
Ik heb gisteren een tros bananen gekocht op de markt.
In een bananenmilkshake gaan melk, een rijpe banaan en wat honing.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.