Ik wil de bloemen bedauwen met water.
De tuinman is bedauwend bezig met de planten.
De bedauwende bladeren glanzen in de ochtendzon.
ik
Ik bedauw de rozen met een dunne nevel.
jij / je, u
Jij bedauwt de planten elke ochtend.
hij, zij / ze, het
Hij bedauwt de bloemen voordat hij ze water geeft.
wij / we, jullie
Wij bedauwt de zaailingen voor een betere groei.
Ik bedauwde de planten gistermorgen.
jij / je
Jij bedauwde de rozen met liefde.
Zij bedauwde de tuin vóór de hitte van de middag.
Wij bedauwden de zaden voor het planten.
De bedauwde bladeren lagen vroeg in de ochtend op de grond.
Moge jij de bloemen altijd bedauwe.
Bedauw de planten als het warm is.
jullie
Bedauwt de bloemen goed voor de zon.