Ik kan het niet begrijpen.
De leerlingen zijn begrijpend aan het lezen.
Het begrijpend gesprek was informatief.
ik
Ik begrijp het probleem.
jij / je
Jij begrijpt de situatie goed.
u
U begrijpt het belang van deze kwestie.
hij
Hij begrijpt zijn verantwoordelijkheid.
zij / ze
Zij begrijpt wat er aan de hand is.
het
Het kind begrijpt de uitleg nog niet.
wij / we
Wij begrijpen de regels van het spel.
jullie
Jullie begrijpen de instructies, toch?
Ik begreep de les niet.
Jij begreep het verhaal verkeerd.
U begreep de situatieschets goed.
Hij begreep de vraag niet.
Zij begreep de grap en lachte.
Het kind begreep weinig van wat er werd gezegd.
Wij begrepen de opdracht niet goed.
Jullie begrepen het probleem heel snel.
Zij begrepen ook wat er moest gebeuren.
Ik heb het altijd goed begrepen.
Begrijp wat ik bedoel!
Begrijp deze uitleg goed.
Jullie begrijpen dit onderwerp goed, toch?
Laat mij hopen dat hij begrijpe wat ik bedoel.