Ik wil je iets beloven.
Het is een belovend idee.
De belovende student heeft hard gestudeerd.
ik
Ik beloof dat ik op tijd kom.
jij / je, u
Jij belooft altijd eerlijk te zijn.
wij / we, jullie, zij / ze, hij, het
Wij beloven dat het leuk wordt.
jij / je
Beloof me dat je het zult doen!
u
Belooft u mij dat deze keer te doen?
Ik beloofde je dat ik zou komen.
wij / we, jullie, zij / ze
Zij beloofden je te helpen.
Hij heeft het beloofd.
Als hij belove te komen, dan zal ik blij zijn.