Tegenwoordig deelwoord De man is bezemend door de gang.
De bezemende vrouw zorgde voor een schone vloer.
Voltooid deelwoord Het huis is al gebezemd voor het feest.
Tegenwoordige tijd ik
jij / je
u
hij
zij / ze
het
wij / we
jullie
Jullie bezemen vandaag de zaal.
Verleden tijd ik
Ik bezemde de vloer gisteren.
jij / je
Jij bezemde de garage vorige week.
u
U bezemde het kantoor gisteren.
hij
Hij bezemde de kamer inderdaad.
zij / ze
Zij bezemde het lokaal alleen.
het
Het project bezemde niet goed.
wij / we
Wij bezemden samen het park.
jullie
Jullie bezemden de woonkamer.
Aanvoegende wijs Als ik jou was, bezeme ik de hele dag.
Gebiedende wijs Bezem jij de straat alsjeblieft?
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.