Ik wil bidden voor je gezondheid.
Ze zat biddend naast het bed.
De biddende mensen waren stil.
Hij heeft gebeden voor zijn vrienden.
ik
Ik bid elke avond voor vrede.
jij / je, u
Jij bidt heel goed.
hij, zij / ze, het
Zij bidt voor de zieke.
wij / we
Wij bidden samen in de kerk.
jullie
Jullie bidden samen voor hulp.
Ik bad voor mijn familie.
Jij bad voor een wonder.
Hij bad voor de regen.
Wij baden voor de goede afloop.
Jullie baden omdat je gelovig bent.
zij / ze
Zij baden elke week.
Bid voor je vrienden.
Bidt voor elkaar, alsjeblieft!
Ik hoop dat je bidde voor ons.