(Wat iemand aantrekt naar het werk, school of een feestje.)
Ze droeg een witte bloes met korte mouwen naar de vergadering.
De bloes ligt in de wasmand, ik moet hem nog strijken.
Ik heb een nieuwe bloes gekocht voor het sollicitatiegesprek.
Deze zijden bloes past perfect bij je zwarte rok.
Vroeger droeg mijn oma elke zondag een geborduurde bloes naar de kerk.
In de kast hangen drie bloezen die ik al jaren niet meer draag.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.