We willen boelen op het feest.
Zij is boelend in de tuin.
Hij is boelende met zijn vrienden.
Hij heeft al veel geboeld deze ochtend.
ik
Ik boel graag in de natuur.
jij / je
Jij boelt goed tijdens de partij.
u
U boelt met veel enthousiasme.
hij
Hij boelt elke zondag.
zij / ze
Zij boelt met haar kinderen.
het
Het boelt beter dan verwacht.
wij / we
Wij boelen ieder weekend.
jullie
Jullie boelen echt leuk samen.
Ik boelde gisteravond tot laat.
Jij boelde met mij gisteren.
U boelde eerder vandaag.
Hij boelde heel hard vorig jaar.
Zij boelde met haar vrienden vorige week.
Het boelde goed die avond.
Wij boelden samen een hele tijd geleden.
Jullie boelden tijdens het feest vat het verleden.
Boele alsjeblieft voor ons.
Boel hier en maak plezier!
Boelt stevig door!