Ik leer hoe ik goed kan bonken.
De bonkende geluiden kwamen van de drummer.
De bonkende muziek was heel hard.
ik
Ik bonk op de deur.
jij / je, u
Je bonkt graag op het ritme.
wij / we, zij / ze, jullie
Wij bonken de hele nacht door.
Ik bonkte op de tafel in de vergadering.
wij / we, zij / ze
Zij bonkten met plezier op de beats.
Ik heb op de deur gebonkt toen ik aankwam.
jij / je
Bonk als je me hoort!
u
Bonkt u alsjeblieft op de muur.
Ik wens dat jij bonke in de maat.