Ik wil graag een maaltijd braden.
De kok is bradend vlees aan het bereiden.
De bradende lucht komt uit de keuken.
Het vlees is goed gebraden.
ik
Ik braad een kip voor het diner.
jij / je
Jij braadt de groenten op het vuur.
u
U braadt het vlees perfect.
hij, zij / ze, het
Hij braadt de pannenkoeken morgen.
wij / we
Wij braden samen in de keuken.
jullie
Jullie braden de vis met kruiden.
Ik braadde het vlees gisteravond.
Jij braadde de aardappelen heel lekker.
U braadde de vis met liefde.
Zij braadde de groenten voor de salade.
Wij braadden samen een groot feestmaal.
Jullie braadden de steak perfect.
Als ik jou was, zou ik brade met de oven.
Braad de speklapjes goed!
Braad niet te veel!