Infinitief Ik ben klaar om te breken.
Tegenwoordig deelwoord De brekende golf zorgde voor veel lawaai.
Ik hoorde de brekende takken in het bos.
Verleden tijd ik
Ik brak het record vorig jaar.
jij / je, u, hij, zij / ze, het
Jij brak de regels tijdens het spel.
wij / we, jullie
Wij braken het isolement tijdens de vakantie.
Tegenwoordige tijd ik
Ik breek altijd het brood met mijn handen.
jij / je
Jij breekt vaak de stilte.
u
U breekt uw beloftes te vaak.
hij, zij / ze, het
Hij breekt zijn potlood als hij schrijft.
wij / we, jullie
Wij breken de regels niet.
Gebiedende wijs Breek het glas voorzichtig.
Breekt dat niet, alsjeblieft.
Aanvoegende wijs Als hij breke het record, krijgt hij een prijs.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.