Ik ben klaar om te breken.
De brekende golf zorgde voor veel lawaai.
Ik hoorde de brekende takken in het bos.
ik
Ik brak het record vorig jaar.
jij / je, u, hij, zij / ze, het
Jij brak de regels tijdens het spel.
wij / we, jullie
Wij braken het isolement tijdens de vakantie.
Ik breek altijd het brood met mijn handen.
jij / je
Jij breekt vaak de stilte.
u
U breekt uw beloftes te vaak.
hij, zij / ze, het
Hij breekt zijn potlood als hij schrijft.
Wij breken de regels niet.
Breek het glas voorzichtig.
Breekt dat niet, alsjeblieft.
Als hij breke het record, krijgt hij een prijs.
Het glas is gebroken.