(wonen en stadsleven)
Ik woon in een rustige buurt vlak bij het park.
Onze buurt heeft een eigen bakker en supermarkt.
De kinderen spelen vaak buiten in de buurt.
Sinds we hier wonen, kennen we bijna iedereen in de buurt.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(locatie en afstand)
Is er een bakker hier in de buurt?
Het café is in de buurt van het station.
Woon je hier in de buurt?
Er is een apotheek in de buurt van het plein.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.