Ik wil graag leren dansen.
De kinderen zijn dansend de kamer binnengekomen.
De dansende groep trok de aandacht van iedereen.
ik
Ik dans vaak op feestjes.
jij / je, u
Jij danst heel mooi.
hij, zij / ze, het
Zij danst elke zaterdag.
wij / we, jullie
Wij dansen altijd samen.
Vorige week danste ik in een wedstrijd.
Jij danste fantastisch op het feest.
Hij danste de hele nacht door.
Wij dansten samen op het podium.
Ik heb op de dansvloer gedanst.
Ik hoop dat hij dat nooit danse.
jij / je
Dans met mij!
u
Dans, alstublieft.