Ik houd van denken over nieuwe ideeën.
De kinderen zijn denkende individuen.
Een denkende student stelt goede vragen.
ik
Ik denk dat het een mooie dag wordt.
jij / je
Jij denkt altijd zo positief.
u
Denkt u dat het gaat regenen?
hij
Hij denkt na over zijn toekomst.
zij / ze
Zij denkt vaak aan vroeger.
wij / we
Wij denken dat we het kunnen winnen.
jullie
Jullie denken in oplossingen.
Ik dacht dat het een goed idee was.
Jij dacht altijd dat je gelijk had.
Dacht u dat het zo zou eindigen?
Hij dacht dat het snel afgelopen was.
Zij dacht aan de vakantie.
Wij dachten dat het weer vandaag beter zou zijn.
Jullie dachten dat jullie het alleen konden doen.
Zij dachten dat ze op tijd zouden zijn.
Ik heb veel nagedacht over je voorstel.
Als hij maar eens zou denken aan anderen.
Denk goed na voordat je een beslissing neemt.