Ik wil dat je gaat dikken in de sportschool.
Hij is dikkend aan het werk.
Zij is een dikkende student.
ik
Ik ben dik.
jij / je
Jij bent dik.
u
U bent dik.
hij
Hij dikt zijn verhaal op.
zij / ze
Zij dikt de tekst aan.
het
Het dikte in de pan.
wij / we
Wij dikken onze soep met room.
jullie
Jullie dikken de icing op de taart.
Ik dikte de soep gisteren.
Jij dikte de cake.
Hij dikte het verhaal op.
Zij dikten hun rapporten.
Wij dikten het verslag samen.
De taart is gedikt met marsepein.
Hij zou graag twee dikke boeken willen lezen.
Doe dik de laag erop!
Dikt de saus meer als je wilt!