Auxiliary verb
hebben
regelmatig werkwoord
Dobbelen verwijst meestal naar het spelen met dobbelstenen, vaak in een spelcontext. Het kan ook figuurlijk gebruikt worden om 'gokken' of 'risico nemen' aan te duiden.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Examples
Ik dobbel elke zaterdag met mijn familie.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Gisteren heb ik urenlang gedobbeld.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Dobbel jij mee?
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Als hij zou dobbelen, zou hij misschien winnen.
onvoltooid verleden toekomende tijd, voorwaardelijke wijs
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.