Ik hoop dat hij dome.
Om te domen is moeilijk zonder ervaring.
Hij is nu domend aan het werk aan een nieuw project.
ik
Ik domen deze winter weinig.
jij / je
Jij doom nu dat ik een goede score haal.
hij, zij / ze, het
Hij doomt de plant in de zon.
wij / we
Wij domen liever op een veilige plek.
jullie
Jullie doomt altijd bij de studie.
Ik doomde vorig jaar vaak met vrienden.
Jij doomde goed in de test van gisteren.
Hij doomde veel in de klas.
Wij doomden de hele week.
Jullie doomden het bijna verlaten dorp.
Die situatie is altijd gedoomd geweest.
Doom je werk goed af!
Doomt, alsjeblieft, voorzichtig!