Ik wil graag dorsen in het veld.
De boer is dorsend met de oogst.
ik
Ik dorste het graan vorig jaar.
jij / je, u
Jij dorste het graan in de zomer.
hij, zij / ze, het
Hij dorste de lijn in het veld.
wij / we, jullie, zij / ze
Wij dorsten samen het graan.
Wij hebben het graan gedorst.
Dors het graan nu!
u
Dorste u het graan gisteren?
Als ik maar kon dorse zoals de anderen.