Ik wil graag dorsten na een lange wandeling.
Ik zie hem dorstend in het park zitten.
De dorstende reiziger vroeg om water.
De dorstend kinderen renden naar de kraan.
De dorstende mens moet wel drinken.
ik
Ik dorst altijd veel na het sporten.
jij / je, u
Jij dorst zeker ook na het zwemmen.
hij, zij / ze, het
Hij dorst vaak tijdens de zomer.
wij / we, jullie
Wij dorsten na de lange reis.
Ik dorstte de hele zomer.
Jij dorstte ook vroeger veel, toch?
Zij dorstte altijd na school.
Wij dorstten in de hitte van de zon.
Zij heeft veel gedorst na het sporten.
Ik wens dat jij dorste tijdens de wandeling.
Dorst niet te veel, drink rustig.