Infinitief Ik wil de waarheid dringen.
Tegenwoordig deelwoord De situatie is dringend en moet meteen worden aangepakt.
Ik heb dringende vragen over de cursus.
Tegenwoordige tijd ik
Ik dring aan op een oplossing.
jij / je, u
Jij dringt altijd om aandacht.
hij, zij / ze, het
Hij dringt zijn mening op.
wij / we
Wij dringen erop aan dat het sneller gaat.
jullie
Jullie dringen niet genoeg aan.
Verleden tijd ik
Ik drong erop aan dat hij kwam.
jij / je, u
Je drong het onderwerp aan in het gesprek.
hij, zij / ze, het
Zij drong mijn idee door.
wij / we
Wij drongen aan op actie.
jullie
Jullie drongen ons om opheldering.
Voltooid deelwoord We hebben ons altijd door de menigte gedrongen.
Gebiedende wijs jij / je
u
Dringt u niet aan op een antwoord?
jullie
Dringt niet verder aan, alstublieft.
Aanvoegende wijs Moge hij dringe tot het juiste besluit.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.