Ik wil leren duiden.
ik
Ik duid de tekst voor de klas.
jij / je
Jij duidt de belangrijkste punten aan.
u
U duidt het probleem goed aan.
hij, zij / ze, het
Hij duidt zijn gevoelens meestal niet goed aan.
wij / we
Wij duiden de informatie gezamenlijk.
jullie
Jullie duiden de situatie verkeerd.
Ik duidde het probleem gisteren.
Jij duidde de tekst niet goed.
U duidde het onderwerp helder.
Zij duidde haar emoties aan.
Wij duidden de verschillen op tijd.
Jullie duidden de oplossingen samen.
De tekst is goed geduid door de studenten.
Duigend kan helpen bij begrip van complexe onderwerpen.
Het duidende document werd door de docent gedeeld.
Ik hoop dat jij duide wat nodig is.
Duid de belangrijkste informatie in de tekst aan.