(Een zwaar voorwerp verplaatsen door er kracht op uit te oefenen.)
Kun je even helpen de kast tegen de muur te duwen?
Samen duwden we de auto naar de kant van de weg.
Ik duw de winkelwagen naar de kassa.
Hij duwde de deur met zijn schouder open.
(Lichamelijk contact in een drukke ruimte of bij een ruzie.)
Niet duwen, er is plek genoeg voor iedereen!
Hij duwde zijn broertje per ongeluk van de bank.
Hou op met duwen, je doet me pijn!
Iemand heeft me in de tram per ongeluk geduwd.
(Een apparaat of bel bedienen.)
Duw op de groene knop om de machine te starten.
Ze duwde op de bel maar er deed niemand open.
Duw hier om de lift te roepen.
Als je op die knop duwt, gaat het licht aan.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.