(berusting of uitleg waarom iets is zoals het is)
Zo is het leven nu eenmaal.
Hij is nu eenmaal een beetje verlegen, daar kan hij niets aan doen.
Dat is nu eenmaal zo.
Ze is nu eenmaal mijn zus, ik kan haar niet zomaar vergeten.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(aangeven hoe vaak iets gebeurt)
Ik ga eenmaal per week naar de sportschool.
We hebben elkaar slechts eenmaal ontmoet.
Ik heb dat boek maar eenmaal gelezen.
De vergadering vindt eenmaal per maand plaats.
(een voorwaarde of startpunt beschrijven)
Eenmaal thuis ging ik meteen naar bed.
Als je eenmaal begint, wil je niet meer stoppen.
Eenmaal op vakantie vergeet ik al mijn zorgen.
Als de film eenmaal begint, mag niemand nog binnenkomen.
(veiling of openbare verkoop)
Eenmaal, andermaal, verkocht!
De veilingmeester riep: 'Eenmaal, andermaal!'
Eenmaal, andermaal, verkocht aan de dame in het rood!
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.