(iets wat van iemand is)
De eigenaar van het huis woont zelf in het buitenland.
Wie is de eigenaar van deze fiets?
De eigenaar van de auto heeft een nieuwe sleutel laten maken.
Alle eigenaren van de flats moeten meebetalen aan de renovatie.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(in een winkel of bedrijf)
De eigenaar van het café staat zelf achter de bar.
Zij is sinds vorig jaar eigenaar van een klein reisbureau.
Als eigenaar van de winkel bepaal ik zelf de openingstijden.
(over huisdieren)
De eigenaar liep met zijn hond door het park.
Elke kat moet een verantwoordelijke eigenaar hebben.
De eigenaar floot zijn hond terug.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.