(Iets bespreken zonder het opnieuw te noemen.)
Ik werk eraan, het komt deze week af.
Denk je eraan om de melk mee te nemen?
Ik denk er vaak aan hoe leuk die vakantie was.
Heb je eraan gedacht om de deur op slot te doen?
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(Aankondigen dat iets of iemand nadert.)
De bus komt eraan, we moeten opschieten.
Mijn verjaardag komt eraan, ik word volgende week dertig.
Pas op, er komt een auto aan!
Het weekend komt eraan en ik heb er zin in.
(Iemands toestand of stadium beschrijven.)
Hoe is hij eraan toe na de operatie?
Ik ben eraan toe om vakantie te nemen.
Mijn oma is er slecht aan toe sinds haar val.
(Iets vervelends dat onvermijdelijk is.)
De oude boom moet eraan geloven, hij wordt morgen omgehakt.
Iedereen moet er een keer aan geloven, niemand leeft eeuwig.
De oude fabriek moet eraan geloven om plaats te maken voor woningen.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.