(Verwijzen naar de inhoud van een ruimte of voorwerp)
Ik open de doos en kijk wat erin zit.
De koelkast is bijna leeg; er ligt bijna niets meer in.
Wat zit er eigenlijk in die tas?
In de envelop zat een brief en er lagen ook twee foto's in.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(Beweging naar de binnenkant van een ruimte)
De deur staat open; je mag zo erin lopen.
Hij sprong erin zonder eerst te kijken hoe diep het water was.
Het zwembad is warm, dus ik ga er zo in.
De auto stond open en de hond is erin gesprongen.
(Vaste combinaties met werkwoorden zoals slagen of trappen)
Ze is erin geslaagd om binnen een jaar Nederlands te leren.
Het was een grap, maar ik trapte er meteen in.
Hij slaagt er altijd in om op het laatste moment klaar te zijn.
Mijn broer trapte er helemaal in en geloofde het hele verhaal.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.